Jodenhaat

De katholieke Jodenhaat en vervolging

Als wrok ontwaakt waar joden in het spel zijn, begint het naar gas te ruiken - Harry Mulisch

Inleiding

We gaan hier in op de antisemitische houding van de katholieke kerk. De ongekende haat tegen het Joodse volk en z'n geloof is bij de katholieke kerk opvallend gebaseerd op het weinig sterke en mythische gedachtegoed dat Joden, de zoon van God, Jezus Christus gekruisigd hebben.

Of dit wel of niet de historische waarheid is, het vermoorden en lijden van Jezus Christus is uiteindelijk voor alle christenen de geloofssymboliek voor hun christelijke overtuiging! Zelfs als 100% vast zou staan dat Joden verantwoordelijk zijn geweest voor de dood van Jezus aan het kruis (Joden deden echter in die tijd aan steniging), zou men de Joden juist dankbaar moeten zijn voor het martelaarschap van Jezus, zijn lijden en dood aan het kruis en zijn latere opstanding.

Veel meer waarschijnlijk lijkt het dat Jezus door de Romeinen gekruisigd is. Alle indicaties daarvoor zijn veel meer overtuigend, dan dat Joden hun eigen verwante Jood Jezus Christus zouden willen vermoorden. Vreemd is ook dat de basis voor het christendom, Jezus Christus, zijn Joodse afkomst daarna 20 eeuwen lang zeer irrationeel en generaliserend, maar vooral ook totaal zonder enige empathie, wordt gebruikt om Joden collectief te veroordelen, in alles als zondebok te zien, te straffen en te vermoorden.

Jodenhaat is zelfs een fundamenteel theologisch argument bij de katholieke kerk om het hele Joodse volk en hun geloof 20 eeuwenlang daarna te denigreren en uit te sluiten, slaaf te maken, te haten, te vervolgen, te martelen en vooral te vermoorden of beter te vernietigen! Dat is psychopathie in optima forma. Mensen met ernstig psychische problemen (zoals bij narcisme en psychopathie) zoeken namelijk altijd een zondebok om hun eigen zieke slachtofferrol duidelijk te maken en uit te spelen.

Of anders: het is opvallend dat zelfs zoiets als het vermoorden van Jezus Christus, binnen de katholieke kerk zo'n extreem rigide vertaling heeft gekregen in het soort gedrag en theologie, zoals men dat alleen ziet bij personen met een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Zonder deze eeuwenlange antisemitische houding met haat van de katholieke kerk zou de vernietiging van de Joden tijdens het naziregime van Hitler waarschijnlijk ondenkbaar zijn geweest. Of anders: de katholieke theologie van het begin van deze kerk is de basis geweest voor het uitmoorden van Joden vanaf 1930. Immers Hitler (zelf katholiek) had de 24 miljoen katholieken, vooral in het zuiden van Duitsland, hard nodig om aan het bewind te komen en om zijn endlösing uiteindelijk uit te voeren!

Katholieke kerkvaders en hun haat tegen Joden

Begin van het katholieke Romeinse rijk
"Hoewel vroeg Griekse en Romeinse schrijvers schreven over Jodenhaat en dit gelezen werd door de eerste katholieken, vinden we nergens bij de vroegchristelijke schrijvers en christelijk Romeinse gezagdragers elementen van haat tegen Joden of hun geloof (Michael, 2008)." Pas toen katholieken de politieke macht kregen in de vierde eeuw in het Romeinse rijk werden Joden gezien als overtreders en minderwaardige burgers.

"De kerkvader St. Augustinus (354-430) zag Joden als voorbeelden van de duivel. St. Jerome (347-420) geloofde dat God de Joden gestraft had met eeuwige slavernij voor het vermoorden van de christelijke Messias (Origin, 1857). De Griekse biograaf Plutarch (45-120) beschuldigde Joden ervan onrein te zijn, de katholieke theologen zoals de vierde-eeuwse heilige Ephrem de Syriër zag Joden als moreel- en religieus onrein (Michael, 2008)."

"Kerkvader Chrysostomus (349-407) beschuldigde Joden van bedrog, roof, moordlust, geilheid en bloeddorst; ze zijn vader- en moedermoordenaars, leraren der boosheid, lieden die hun leraar met eigen hand hebben gedood. Hij bestookt hen in zijn bewaard gebleven anti-Joodse preken met een kanonnade van scheldwoorden, verdenkingen en verwensingen en noemt hen onder andere wreedaardiger dan beesten. In hun schaamteloosheid overtreffen ze zelfs varkens en bokken (Gilst, 2013)."

"Chrysostomos zag Joden verder als opstandelingen tegen God en tegen alles wat heilig en waardig is voor de slacht (Juster, 1914)."

Apostel Paulus (3 - 67) aanvaardde eerst de Joden zoals volgens hem het Joodse geloof in harmonie was met het christelijk geloof en noemde hij ze zelfs mensen van God (Rom. 11:1-5). Maar later neemt Paulus op een zeer denigrerende en gevoelloze manier afstand van het Joodse geloof en zijn volgelingen. Zo noemde hij Joden door God geschapen als: lui, doof en blind. Hij noemt Joden de vijanden van God, een haatstatement, dat opvallend lang heeft doorgeklonken in de katholieke kerk.

"Paulus volhardende in ernstige kritiek op het Joodse geloof, waar hij zelf mee was opgevoed, heeft de christenen geholpen om Joden af te wijzen. Zijn soms emotionele aanval op de Thora spoorde de christelijke oppositie aan om tegen de Joodse manier van leven te zijn, die zoals men veronderstelde onacceptabel was voor God (Michael, 2008)."

Het leven volgens de Thora betekende leven volgens 'de wens van het vlees te bevredigen'; terwijl 'het christelijk spiritueel leven' betekent niet ondergeschikt te zijn aan de Thora (Gal. 5:16-18).

Het is duidelijk dat Paulus zijn eigen afkomst als Jood verloochende door extreem anti-Joods te worden, christenen te zien als het uitverkoren volk en alleen heidenen te zien als mogelijk potentiële christenen. Paulus schreef dat 'de teksten uit de Thora dodelijk zijn'; het is de 'toestemming voor de dood'; de besnijdenis is het fysieke teken van de Thora en 'een verminking' en de hele Thora 'een vloek' (Cor. 3:4-15; Rom. 2; Phil. 3:2; Gal. 3:13). Paulus waarschuwt in Filippenzen (3:2): "ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding (de besnedenen, dus de Joden) en verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek (Rom. 2:9)".

Andere synoniemen voor Joden zijn volgens apostel Paulus: uitschot, honden, duivelbeheersers, mensen die je wilt castreren, vijanden van God en de mensheid, gezonden door Satan, de volgelingen van de antichrist, de moordenaar van Jezus.

Paulus haattheologie naar Joden werd met veel passie uitgevoerd door nagenoeg alle pausen, bisschoppen en andere katholieke gezagdragers en priesters zoals bijvoorbeeld de franciscaner- en dominicaanse monniken. Dit was ook de hoofdreden dat toen in 325 onder keizer Constantijn het katholieke geloof de officiële staatsgodsdienst werd in het Romeinse rijk de Joden gelijk als tweederangs burgers werden gezien. Hadden Joden hiervoor nog rechten en werden ze beschermd, maar wel gezien als andersgelovigen, vanaf de vierde eeuw begon dit duidelijk anders te worden door het ontstaan van de Romeinse Theodosianus wetten (Codex Theodosianus genoemd).

De Codex Theodosianus is een handboek met wetten door en vanaf keizer Theodosius II (408-450) en zijn neef, de jonge keizer Valentinianus III (425-455), werd samengesteld. De code bestaat uit Romeinse wetten en constituties vanaf het jaar 312. Deze Codex was een verzameling van 16 boeken met daarin meer dan 2.500 oordelen, die werden uitgesproken tussen 313 en 437. De codex omvat politieke, sociaaleconomische, culturele en religieuze onderwerpen uit de vierde en vijfde eeuw van het Romeinse Rijk.

"Het resultaat van deze wetten was onder andere dat Joden geen zeggenschap konden hebben over christenen. Joden mochten geen publieke functies vervullen, mochten geen advocaat zijn, mochten geen proces op zich nemen tegen christenen en mochten niet getuigen bij processen van misdadigers. Als een Jood het recht van een christen overtrad werd hij veel zwaarder bestraft dan een christen, die dezelfde overtreding had begaan bij een Jood. Als een Jood een slaaf van een andere natie de besnijdenis toepaste werd hij verbannen of kreeg de doodstraf. Joden mochten eerst wel in het leger maar mochten geen rang hebben of bijbehorende privileges genieten. Vanaf 418 had de katholieke kerk de wetgeving ingebracht, waardoor Joden niet meer in het leger konden, behalve als zij zich lieten omdopen als christen. Overgaan naar het Joods geloof werd zwaar bestraft zoals met verbanning, onteigening van bezittingen of de doodstraf (Michael, 2008)."

Over het algemeen geldt opvallend het kennelijk ontkennen van het Joods zijn van Jezus en zijn positieve relaties met Joden. Zo zagen zowel vroege als latere christelijke theologen, pausen, politici en andere antisemieten het nieuwe testament als anti-Joods en met een uitgebreide verzameling van excuses om Joden op allerlei manieren als tweederangs burgers weg te zetten. In de Codex Theodosianus wordt duidelijk gerefereerd aan wat Joden en hun geloof zijn, zoals:

    De Joden zijn:
  • "godlasterende producten",
  • "vervuild met de Joodse ziekte",
  • "verontreinigd met de Joodse sacramenten",
  • "beledigers van het christelijk geloof" en een "wijdverspreide plaag",
  • "walgelijk en laaghartig",
  • "vijanden van het Romeins recht",
  • "monsterlijke ketters",
  • "de slechtste mens" en "volledig zinneloos", (Michael, 2008).

    Het Judaïsme wordt vergeleken met of gelijkgesteld aan:
  • "een dodelijke en godlasterende sekte" en "een bordeel",
  • "Joodse verdorvenheid die strijdig is met en vijandig is aan het Romeinse Rijk",
  • "teken van Joodse vuiligheid",
  • "corrupt met de vuiligheid van zijn afzonderlijke sekte",
  • "de krankzinnigheid van de Joodse godslastering",
  • "de abominabele sekte en gebruiken",
  • "angstaanjagend en afgrijselijk", (Michael, 2008).


Joden in de Middeleeuwen

Vanaf de 11de eeuw waren de meeste mensen in Europa katholiek en leefden katholieken en Joden vele eeuwen hiervoor redelijk in harmonie naast elkaar. Soms was het Judaïsme zelfs als enig geloof geoorloofd naast het katholicisme. Maar mede door de katholieke liturgie en geloof, geconditioneerd door religieuze kunst, literatuur, kerkregels en wetten en de structuur van de katholieke kerk, werd gedurende deze periode de anti-Joodse propaganda meer en meer kwaadaardig en meer 'effectief'.

"Volgens Quispel (2015) vindt er in de late middeleeuwen vanaf 1096 een omslag plaats in de houding van katholieken naar Joden toe. Zo vonden er in 1096 in de Rijnstreek in Duitsland ineens massale vervolgingen plaats en werd de Joodse bevolking in een aantal Duitse steden uitgemoord. Dit was geen eenmalig incident. Jodenvervolgingen zouden plaatsvinden in Frankrijk tussen 1170 een 1190, in Engeland in 1190 en op veel plaatsen in Europa ten tijde van de grote pestepidemie. Ook zouden kleinere groepen individuele Joden regelmatig worden lastiggevallen en vervolgd. Kennelijk is ergens in de late middeleeuwen de relatie tussen christenen en Joden fundamenteel veranderd."

Zo trokken in 1096 kruisvaarders, met de volledige steun van paus Urbanus II en onder leiding van Graaf Emicho van Leiningen via de Rijnstreek naar het Heilige land. Ze kwamen echter op de gedachte om, hen die de dood van Christus op hun geweten hebben, hun eerst een lesje te leren. Ze besloten op 3 mei 1096 samen met burgers de Joden in de Duitse stad Speyer aan te vallen terwijl zij in de synagoge verbleven. De Joden waren gewaarschuwd en daarom vielen er maar 11 doden. De bisschop Johannes van Speyer bleek een echte Christen door de Joden een veilige schuilplaats te bieden totdat de kruisvaarders Speyer hadden verlaten. In de stad Worms pleegden de Joden daarna uit voorzorg maar zelfmoord om geen prooi te worden van de wreedheden van de kruisvaarders en burgers. In Mainz, waar de grootste gemeenschap van Joden in de Rijnstreek woonde, werden vele Joden opgepakt en vermoord.

"Toen het nieuws over het lot van de Joden van Worms en Mainz in Keulen bekend werd, gingen christelijke bewoners de straat op, er werden Joodse huizen geplunderd en de synagoge werd vernietigd (Quispel, 2015)." Bij al de voorgaande conflicten waren altijd katholieken betrokken. Graaf Emicho bleek, als goed katholiek, steeds weer een vreselijke bruut te zijn. Elke Jood of het ging om ouderen, zwangere vrouwen, zieken of jonge kinderen of zelfs zuigelingen, hij reeg ze aan zijn zwaard. Het zwaard, dat eerder door paus Urbanus II gezegend was voor de strijd van de kruisvaarders en hun religieus fanatisme heeft in 1096 veel Joden de dood in gejaagd. "De ernstigste vervolgingen van de twaalfde eeuw vonden plaats in 1190 in Engeland, ten tijde van de Derde Kruistocht. Joden hadden zich nog maar relatief kort in Engeland gevestigd (Quispel, 1015)."

In 1189, toen Richard Leeuwenhart aan de macht kwam in Engeland moet er al een vijandige sfeer hebben geheerst naar Joden toe. Er was in de jaren daarna op vele plaatsen, eerst in East Anglia, later in Norwich, Stamford, Colchester, Thetford, York en verschillende andere plaatsen in Engeland een vijandige sfeer naar Joden toe. De bevolking werd opgezet tegen hun Joodse stadsgenoten. Joden werden aangevallen, hun huizen geplunderd en in brand gestoken en niet zelden gedood.

In de late middeleeuwen werd de haat tegen Joden ook ingegeven door het heffen van woekerrente door Joden bij leningen. We moeten hierbij bedenken dat veel Joden een groot aantal beroepen niet mochten uitoefenen maar ook geen grond mochten bezitten. Het uitlenen van geld was soms nog de enige manier om te overleven voor Joden, maar had ook te maken met het beleid van vorsten en andere machthebbers. "Beschuldiging dat Joden woekeraars waren die zich ten onrechte verrijkten ten koste van hardwerkende christenen was geboren en zou in later eeuwen niet meer in Europa verdwijnen (Quispel, 2015)."

In de late middeleeuwen, vanaf 1144, ontstond er een hetze tegen Joden die gebaseerd was op allerlei bijgeloof zoals rituele moord van kinderen, hostieschending en het complot met de Duivel. Vele duizenden Joden lieten het leven daarna als onschuldige slachtoffers van de katholieke theologie.

"In de middeleeuwen werden vaak Joden uit delen van Frankrijk verbannen, meestal door een koning die dan hun bezit in beslag nam. De 15-jarige Franse katholieke vorst Filips II deed dit in 1182 als eerste. Er volgde een serie verbanningen, terugkeren, en nieuwe verbanningen. Voordat de 15-jarige koning Filips II in 1182 de Joden verbande uit zijn kroondomeinen (niet heel Frankrijk), nam hij hun goederen en 20% van hun inkomsten in beslag. Hij had het geld nodig om zijn macht te verstevigen en zijn schatkist aan te vullen.

Bovendien kreeg hij de katholieke kerk achter zich door die 'ellendige' Joden aan te pakken en hun synagogen aan de katholieke kerk te geven, die ze ombouwden als kerk. Franse koningen in die tijd beschouwden Joden als hun eigendom, een bron van extra belastingen of bezittingen die afgepakt konden worden na een verbanning. In 1306 bijvoorbeeld verbande Filips IV een groot aantal Joden uit zijn rijk en pakte hun bezit af om zijn oorlog met Vlaanderen te betalen.

In 1315 mochten zij van Lodewijk X terugkomen, maar hij stelde enkele voorwaarden: Joden mochten niet met christenen discussiëren over geloofsverschillen, moesten een herkenbaar symbool op hun kleding dragen, en mochten alleen de kost verdienen met handarbeid of 'goede' handel. Dit was bedoeld om de 'verwerpelijke' Joodse geldhandel aan banden te leggen. Er kwamen in 1315 niet veel Joden terug (Chazan, 2006)".

In 1394 werden alle Joden uit heel Frankrijk verbannen, en het duurde tot de 17e eeuw voor er weer Joden terugkeerden. "De katholieke koning Edward I van Engeland verbande in 1290 alle Joden uit zijn land. Dat deed hij om economische en religieuze redenen én onder druk van de katholieke kerk en de publieke opinie. Eén van de redenen waarom Edward I besloot de Joden te verbannen, was dat zij niet genoeg geld zouden bijdragen aan de koninklijke schatkist. Maar vooral nam de macht van de katholieke kerk toe, en de druk van die kerk om Joden ofwel ergens apart te laten wonen, of ze te laten bekeren tot het katholicisme. Ook de koninklijke steun voor de ideeën van de kerk nam toe, en de vijandigheid van de bevolking tegen Joden. Deze besluiten golden nog steeds in de periode van de kruistochten. Pas 350 jaar later, op verzoek van de Amsterdams-Portugese rabbijn Menasseh Ben Israël, stond Oliver Cromwell Joden weer toe om terug te keren naar Engeland (Menache, 1987)."

"Op het Vierde katholiek Lateraans Concilie (1215) werd besloten om Joden te verplichten kenmerkende kleding of tekens te dragen, zoals de Jodenhoed en de gele cirkel. Zij waren hierdoor duidelijk herkenbaar als buitenstaander. Het Vierde katholiek Lateraanse Concilie wordt vaak gezien als het belangrijkste middeleeuwse concilie. Een concilie is een vergadering van de katholieke kerk met hogere geestelijken. Hier werden 71 nieuwe decreten (officiële wetten) uitgevaardigd. Eén van die decreten hield in dat Joden verplicht werden om een geel kenteken op hun kleding te dragen of een zogenaamde 'Jodenhoed'. Ook moslims moesten een kenteken op hun kleding gaan dragen. Verder werd het Joden en christenen verboden om samen te werken of te leven (Chazan, 2006)."

Tussen 1348 en 1350 trof een grote pestepidemie Europa, waarbij tientallen miljoenen mensen stierven. Joden kregen hiervan de schuld: zij zouden het water hebben vergiftigd om de christenen te vermoorden. Tienduizenden Joden werden vermoord, complete gemeenschappen werden uitgeroeid. De pest werd verspreid door ratten die bacteriën bij zich droegen. Waarschijnlijk werden deze door vlooien overgebracht op mensen. Mensen met de ziekte kregen grote zwarte builen op hun lichaam en velen stierven, vandaar de bijnaam Zwarte Dood. In die tijd wist men nog niet dat de ziekte door ratten werd verspreid. Joden werden vaak aangewezen als zondebok. "Er gingen verhalen dat de Joden het drinkwater hadden vergiftigd, dat het een complot was om de katholieke christenen te vermoorden. Bange en woedende groepen mensen roeiden honderden Joodse gemeenschappen uit in steden in heel Europa. Zo werden er bijvoorbeeld 900 Joden levend verbrand op Valentijnsdag 1349 in Straatsburg, nog voordat de pest de stad had bereikt.

Het was een preventieve maatregel om te zorgen dat de burgers niet besmet zouden worden (Cohn, 2007)." "Al sinds het 3e Lateraans katholiek Concilie in 1179 moesten ze in een aparte buurt of straat wonen, soms werden zij verbannen. In 1516 dwong Venetië alle Joden in een apart ommuurd gebied te wonen, dat getto heette. 's Nachts mocht niemand eruit en werd het afgesloten.

In de eeuwen daarna ontstonden ook getto's in andere Europese landen. Er kwamen getto's in Portugal, Spanje, Duitsland, Italië en Polen. Eerder was er al een soort getto in Marokko, waar ze het een mellah noemden. De eerste mellah werd ingesteld in Fez (1438). Vóór de instelling van het getto hadden de Joden in de Republiek Venetië al te maken met beperkingen van hun rechten. De grote toestroom van (meest Sefardische-) Joodse vluchtelingen in 1509 zorgde uiteindelijk ervoor dat het getto werd ingesteld (Ruderman, 2003)."