Klerikaal Fascisme

Inleiding

De aanhangers van een groot man maken zich blind om zijn lof beter te kunnen zingen
- Friedrich Nietzsche

Het klerikaal fascisme is te beschouwen als een katholiek kerkelijke ideologie, die gebruik maakt van de politieke en economische doctrines van het fascisme en deze combineert met die van het katholicisme. De term wordt gebruikt om organisaties, bewegingen en regimes te beschrijven die religieuze elementen gebruiken in combinatie met het fascisme, ondersteund door geloofsinstituten voor het fascisme of fascistische regimes waarbij de kerk een leidende rol speelt.

Het klerikaal fascisme is alleen mogelijk geworden doordat katholiek politiek leiders in staat waren hun bevolking, als katholieke meerderheid in nagenoeg alle gevallen, bewust te maken van de katholiek heilige doelen die overeenkwamen met hun fascistische doelen. Het succes van Mussolini met 99% katholieken in Italië vanaf 1919 had dan ook alles te maken met hoe katholieken tegen één sterke man aankijken, die als leider optreedt en de inherente afhankelijkheid, onderdanig van gezag, conservatisme en gehoorzaamheid van gelovigen zoals men dat herkent in hun katholieke geloof.

De term klerikaal fascisme ontstond begin 1920 in Italië, waarbij het gaat om de stem van de katholieke Partij Partito Popolare Italiano, die Benito Mussolini en zijn regime ondersteunde. De term is waarschijnlijk bedacht door Don Luigi Sturzo, een priester en leider van de christendemocraten die oppositie voerde tegen Mussolini en in 1924 in ballingschap ging.

Ofschoon de term ook wel gebruikt werd vóór Mussolini's Mars naar Rome in 1922, waarmee toen bedoeld werd: "Katholieken uit Noord-Italië die een synthese voorstonden tussen het katholicisme en het fascisme". Don Luigi Sturzo maakte verder een onderscheid tussen draadfascisten, die de katholieke PPI in 1921 en 1922 verlaten hadden, en de klerikaal fascisten die in de partij bleven na de Mars naar Rome, en daarmee pleiten voor samenwerking met de fascistische regering. Uiteindelijk, kwam de laatste groep samen met Mussolini, en verliet de PPI in 1923 en richtte de Centro Nazionale Italiano op. De PPI werd ontbonden door het fascistisch regime in 1926.

De term klerikaal fascisme is daarna gebruikt door wetenschappers en schrijvers om het onderscheid na te gaan tussen autoritair-conservatief klerikaal fascisme en meer radicale varianten die daarvan zijn afgeleid. Christelijke fascisten richten zich op interne religieuze politieke zaken, zoals het maken van wetten en regels die overeenkomen met hun christelijk denken.

Radicale vormen van christelijk fascisme of klerikaal fascisme zijn ontstaan uit het extreem rechts van het politieke spectrum, in sommige Europese landen, in het interbellum halverwege de twintigste eeuw.

Voorbeelden van klerikaal fascistische bewegingen, organisaties en regimes zijn:
- Regime van Mussolini in Italië
- Het regime van priester-president Jozef Tiso in Slowakije
- Ustase beweging in Kroatië met Ante Pavelić als leider
- Antisemitisme en regeringsleider Horthy in Hongarije
- Het fascisme in Roemenië onder Ion Antonescu
- IJzeren Garde van Corneliu Codreanu in Roemenië
- Franco's bewind in Spanje
- Servië Nedić de Servische regering van Nationale Redding
- António Salazar in Portugal
- Engelbert Dollfuss in Oostenrijk
- Servische Chetnik beweging in de Balkan;
- Rexist partij in België
- Vichy bewind in Frankrijk

We gaan hier verder in op verschillende fascistische regimes die voldoen aan het klerikaal fascisme en die door sterke samenwerking met nazi-Duitsland een grote rol hebben gespeeld in het systematisch vermoorden van Joden, Roma, Sinti en Serviërs en andere minderheden. We beginnen met het land waar het fascisme allemaal begon: Italië.

Italië: Mussolini en paus Pius XI

Mussolini (zie foto) was in 1883 geboren in Predappio in het Noorden van Italië. Studeerde voor onderwijzer maar stond maar voor korte tijd voor de klas en ging naar Zwitserland waar hij journalist werd. Mussolini was tot 1914 een overtuigd socialist en vanaf 1912 redacteur van het socialistisch blad Avanti.

Toen in 1913 de politie nabij Rome zeven boerenarbeiders vermoordde tijdens een protest-bijeenkomst riep hij op tot wraaknemen: "Dood aan hen die een massamoord begaan op mensen. Lang leve de revolutie". Later in de krant: "Onze is een oproep tot oorlog. Zij die massamoorden begaan kunnen op hun beurt het slachtoffer worden van massamoord (Kertzer, 2014)". Twee maanden na 1914 (begin van de Eerste Wereldoorlog) na publicatie van een artikel schreef hij ertegen te zijn dat Italië in deze oorlog neutraal zou blijven.

Dit was volledig tegen het duidelijk pacifistische gedachtegoed binnen de socialistische partij. Pacifisme paste niet in Mussolini's karakter en in alles stond het hem tegen dat Italië zou wachten hoe de rest van Europa de oorlog zou ingaan. Binnen een maand werd hij ontslagen bij Avanti en uit de partij gezet. Mussolini werd daarna een van de grootste vijanden van de socialisten en hun partij. In deze tijd bleek steeds meer dat bij Mussolini alles gericht is geweest op vooral zichzelf (egocentrisch of narcistisch) en vertrouwen op zijn eigen capaciteiten om aan de top te komen.

In 1914 startte hij zijn eigen krant Il Popolo d'Italia (Het Italiaanse volk). Een krant die drie decennia bleef bestaan. Mussolini (zie foto) kreeg in 1913 een relatie met de Joodse Margherita Sarfatti en nadat hij terugkeerde als militair uit de oorlogsgebieden werden zij onafscheidelijk. Alhoewel Mussolini een leger aan maîtresses had, naast zijn huwelijk met Rachel Guidi, had hij hiervoor al een kind bij een andere vrouw. Zijn liefdesleven kende een ongekende wanorde. Hij bleek soms zeer gewetenloos naar zijn vrouwen. Zo liet hij een vrouw tegen haar wil in een psychiatrische kliniek opnemen.

De Katholieke Kerk was in 1919 een van de eerste doelen van de eerste fascisten.
Mussolini pleitte voor het opeisen van het bezit van religieuze congregaties en het beëindigen van de subsidie aan de kerk. "In een artikel in november 1919 Il Popolo d'Italia, gebood hij de paus Rome te verlaten en een maand later toonde hij zijn haat tegen elke vorm van Christendom (Kertzer, 2014)".

Mussolini was in 1920 de auteur van de boeken: God bestaat niet en De Minnares van de kardinaal. Beide duidelijk atheïstische werken. Verder verklaarde hij dat gelovigen aan een ziekte lijden, dreef de spot met katholieke dogma's en hield scheldtirades tegen priesters. Mussolini's metamorfose over de katholiek kerk stond voor de deur.

In het buitenland keken miljoenen katholieken naar Rome als hun geestelijk hoofdkwartier. Volgens Mussolini in 1921, zou fascisme volgens hem het herstel van de christelijke gemeenschap bewerkstelligen. Het zou een Katholieke Staat maken passend bij een katholieke natie als Italië. Het omarmen van de kerk in Rome kwam als een grote verrassing, hij had geen enkel contact gehad met het Vaticaan hierover.

Later in 1921 roemde hij het Vaticaan en het katholicisme al zozeer dat kardinaal Ambrogio Ratti, een jaar voor zijn verkiezing als paus Pius XI zei: "Mussolini maakt snelle vorderingen en zal met zijn natuurkracht alles neerhalen wat hem in de weg staat. Mussolini is een schitterende man. Hoort u mij? Een schitterende man! (Deschner, 1995)". Het fascisme is begonnen als een politiek systeem bedacht door deze schitterende man Mussolini en zijn veterane handlangers in Italië uit de Eerste Wereldoorlog.

Op 23 maart 1919 stichtte Mussolini op de Piazza San Sepolcro in Milaan de Fasci italiani di combattimento. Deze groep bestond voor een groot deel uit veteranen. De beweging groeide snel. De leden, die zich fascisten noemden, droegen een zwarthemd, een zwarte muts en wapens. De partij was sterk gedecentraliseerd met een eigen fascistenbaas per stad of streek. De fascistengroepen knokten met hun vijanden, de socialisten, de communisten, de leden van de katholieke volkspartij, hun vakbonden en hun kranten, waarbij veel doden vielen. Na de mars op Rome van 27 tot 29 oktober 1922 (zie foto; Mussolini in het midden) kwam Mussolini aan de macht.
Mussolini streefde naar sterk leiderschap en rond 1921 werd de fascistische beweging omgezet in een politieke partij: de Partito Nazionale Fascista (PNF). Mussolini werd de absolute leider en het gezicht van de partij. Hij voerde de titel Duce (legeraanvoerder). Tegelijkertijd met de oprichting van de PNF werd er een partijprogramma aangenomen.
Het republicanisme en antiklerikalisme werden afgezworen vanwege praktische redenen (de bevolking van Italië was katholiek en het merendeel monarchistisch), maar bleven op de achtergrond, zeker ook bij Mussolini, een rol spelen.

Zowel kardinaal Ambrogio Ratti als Mussolini hadden, naast dat ze allebei uit Milaan kwamen, belangrijke overeenkomsten. Ze haatten beiden de sociaaldemocratie en het communisme. Beiden propageerden een goedkoop, op massamisleiding afgestemd dichotoom-systeem, waarin alleen goed of slecht, licht of donker bestaan. "Pius XI was 'geboren om bevel te voeren' en de Duce 'had altijd gelijk'. Ze regeerden autoritair en wars van compromissen (Deschner, 1995)".

Beiden hadden al contact met elkaar voor de Mars naar Rome. Zoals later duidelijk bleek ondersteunde paus Pius XI de fascistische coup van Mussolini al voordat deze had plaatsgevonden. Dit omdat het Heilige Office groot belang had bij het fascisme, dat zo dicht stond bij wat de Katholieke Kerk zelf wilde, zoals verloren macht terugwinnen in Italië. In die zin was Mussolini ook gewoon een vazal van de Katholieke Kerk, waarschijnlijk zonder dat hij dat door had. De beslissing van de paus om Mussolini te steunen verbaasden ook velen in de kerk.

"Niemand was meer verbaasd dan pater Enrico Rosa, redacteur van La Civiltà Cattolica, die tot de tijd dat Mussolini aan het bewind kwam het fascisme als de ergste vijand van de kerk had genoemd. Dagen voor de Mars naar Rome waarschuwde hij dat de fascistische beweging gewelddadig en antichristelijke is en geleid door kwaadaardige personen maar veroorzaakt door het falen van de oude liberalen, Vrij Metselaars, boerenlandeigenaren, rijke industriëlen, journalisten, pretentieuze politici en soortgelijke personen (Kertzer, 2014)".

De eerste encycliek Ubi Arcano van paus Pius XI uit 1922 maakte veel duidelijk over deze paus zijn denkbeelden. Hij deed zijn beklag over het feit dat Jezus Christus verwijderd werd uit scholen en rijksgebouwen. Hij hekelde verder de manier waarop vrouwen zich kleedden en dansten. Over het besef dat men zich van de kerk ging afkeren merkte hij op: "Gezien in het licht van de vaak geprezen vooruitgang ontdekken we dat met deze maatschappij we langzaam maar zeker terugkeren naar een barbarenstaat".

Hij onderstreepte het belang van gehoorzaamheid aan de juiste autoriteit en was het eens met paus Pius X over zijn afkeer van het modernisme. Hij hekelde de pas opgerichte Verenigde Naties. Deze paus wilde het Koninkrijk Christus weer terug op aarde laten landen, in de kern een middeleeuwse opvatting. Deze paus accepteerde zondermeer het gewelddadig fascistisch regime van Mussolini, terwijl hij zich druk maakte over van alles in Italië wat vaak compleet onschuldig was en meestal in zijn geheel niet gericht tegen zijn kerk. In die zin was Pius XI redelijk paranoïde als het ging om zijn principes als paus zoals later ook steeds weer bleek. "Paus Pius XI in de zomer van 1923 ter ere van de fascistenleider: God heeft voor Italië zo'n man uitverkoren…; alleen hij heeft begrepen wat zijn land nodig heeft. Het was zonneklaar; Mussolini was door God gezonden (Deschner, 1995)".

Bij de verkiezingen van mei 1921 deed de PNF mee met de lijst Nationaal Blok, waarin ze samenwerkten met liberalen en nationalisten. De Nationalistische Associatie fuseerde in 1923 met de fascistische partij. Als parlementslid keerde Mussolini zich vooral tegen de democratie. De fascisten wilden na de mars naar Rome in 1922 de hoofdstad overnemen, waardoor veel verdeeldheid ontstond bij de tegenstanders en de regering. In 1922 bestonden zijn zwarthemden uit 300.000 gewapende mannen met steun van het leger. "Allemaal fascistische strijders die onmiddellijk mijn orders opvolgen als ik dat wil", zei Mussolini.

Koning Victor Emanuel III weigerde de noodtoestand uit te roepen bij de chaos in zijn land in 1922. Was bang voor een burgeroorlog en bood mede daarom Mussolini het premierschap aan. Mussolini accepteerde dit en kwam op 30 oktober 1922 naar Rome. Mussolini was van 1922 tot 1943 minister-president van Italië. Hij werd premier van een coalitiekabinet met fascisten, katholieken, liberalen en socialisten. Hij keerde zich al snel tegen deze politieke partijen (een fascist haat democratie) maar ze mochten hun zetels in het parlement behouden, mits zij de fascistische politiek van Mussolini zouden steunen.

De katholieke partij werd het werken onmogelijk gemaakt en het Vaticaan liet z'n eigen democratisch gekozen katholieke partij als een baksteen vallen. Een deel van haar leiders week uit naar het buitenland. De rest van de partij opereerde sindsdien ondergronds. De fascistische beweging van Mussolini werd door het Vaticaan van harte gesteund en heeft er alles aangedaan om Mussolini met zijn fascistisch regime te steunen om grondrechtelijk zijn politiek in Italië te kunnen invoeren. Precies zoals dat later in vele landen met een katholieke bevolking gebeurde in Europa.
Vanaf 1924 regeerde Mussolini met volmachten en liet zich verheerlijken als Il Duce, de megalomane en totalitaire dictator die altijd gelijk had en geen enkele tegenspraak duldde. Daarna begon de fascistische moordmachine te werken zoals op de socialistische leider en rechtsgeleerde Giacomo Matteotti (zie foto), die eerder had geprotesteerd tegen maatregelen van Mussolini. Het lichaam van Matteotti werd op 16 augustus 1924 gevonden. Matteotti was in een auto ontvoerd en doodgeslagen, volgens vrijwel iedereen door fascisten en handlangers van de regering. Paus Pius XI zei nooit iets over deze moord en weigerde de weduwe van Matteotti te ontvangen. Mussolini stelde zichzelf, op 3 januari 1925, in een rede in het parle-ment verantwoordelijk voor deze moord. Hij overleefde een nationale storm van protest, dankzij de greep die hij op de pers had.

Mussolini presenteerde zich steeds meer als een autoritaire dictator. Dit kwam ook tot uiting in zijn gedrag met het publiek zoals: veel bravoure, show, veel gezwaai met handen, stereotype hoofddraai naar achteren, militaristische uitspraken, enzovoorts. Het fascistisch systeem van Mussolini gaat ervan uit dat alles is geoorloofd om burgers gewetenloos te onderwerpen en te onderdrukken aan het opgelegde regime, zoals hij dit voorschrijft.

Mussolini maakte 'slim' gebruik van zijn macht door de Katholieke Kerk voor zich te winnen. Mussolini, als overtuigd atheïst, zorgde ervoor dat paus Pius XI alles kreeg wat hij wilde. Hij verbood pornografie, liet in alle scholen, ziekenhuizen en rechtsgebouwen Christusbeelden ophangen. Hij verklaarde zich anti-Joods en schonk het Vaticaan 1,5 miljard lire uit de staatskas. Hij zorgde er zelfs voor dat het Vaticaan weer alle eigendomsrechten kreeg over Vaticaanstad (voor het eerst na 1870) wat ongekend was voor die tijd. Daarna kon Mussolini niets meer fout doen bij deze paus hoe vreselijk ook zoals het folteren en opsluiten van vijanden en het voeren van oorlogen.

We zien hier hoe Mussolini uiteindelijk van een socialist naar fascist was getransformeerd, maar tevens van een atheïst naar een pro-katholiek. Hij was dus bepaald niet standvastig in zijn principiële overtuigingen.
"Op 13 februari 1929 noemde Pius XI (zie foto) Mussolini wederom de man 'die de Voorzienigheid ons heeft geschonken' en gelastte de priesters aan het einde van de mis te bidden voor de koning en Il Duce (leider) (Gilst, 2013)".

Veel van Mussolini's politieke idealen en zijn fascistisch regime kwamen overeen met die van de katholieke gezagdragers in Italië. Zoals de haat en de wil tot het uitmoorden van Joden, socialisten, maar vooral ook de ongelovige communisten. Het eeuwenlange gewetenloze machtsdenken van de Katholieke Kerk bleek goed aan te sluiten bij het fascisme van Mussolini.

"Pius XI heeft nooit openlijk het fascisme en de moord op Italiaanse vakbondsleiders veroordeeld. Nadat Mussolini in 1922 min of meer door een staatsgreep aan de macht was gekomen, gaf Pius XI, toen nog kardinaal te Milaan, Mussolini's zwarthemden eerder de ereplaats bij de godsdienstoefeningen voor de Onbekende Soldaat in de kathedraal van Milaan, waarbij hij welbewust heeft nagelaten de politieke principes der zwarthemden te kritiseren, aldus Paul Blanshard die zelf de eerste zomer van de fascistische heerschappij in Milaan woonde (Gilst, 2013)".

Mussolini, met zijn fascistische regime en regering, was verantwoordelijk voor een genocide met vele duizenden doden in de Noord-Afrikaanse landen Libië (50% van de bevolking werd vermoord) en Ethiopië en ondervond daarbij weinig oppositie of afkeur van de Katholieke Kerk en paus Pius XI. Pius XI had op 12 mei 1936 de overwinning van het Italiaanse leger in Ethiopië toegejuicht met de woorden "de triomfantelijke vreugde van een geheel groots en goed volk".

Met de dood van Pius XI in 1939 is een paus heengegaan die mee heeft gedaan om tijdens zijn pontificaat als afgezant van God, Mussolini en zijn misdadig bewind van harte te steunen. De oorlogen tegen Ethiopië en later Griekenland bracht Italië in grote economische problemen, die zijn beslag kreeg in wat men dacht over deze grote leider Il Duce. Zijn steun (behalve van de Katholieke Kerk) was zodanig in 1942 dat hij moest vluchten naar het noorden van Italië en een vazal werd van Nazi-Duitsland.

In 1945 werd Mussolini door opstandelingen herkend en gefusilleerd en later met zijn vriendin Claretta Petacci onderste boven opgehangen met zijn fascistische broeders van het eerste uur aan het dak van een benzinestation in Milaan. Een groter betoon van minachting voor deze leider is niet denkbaar. Maar gezien Mussolini's arrogant temperament en zijn extreem narcisme, maakt dat hij zijn leven lang heeft gedacht dat hij het állerbeste deed voor zijn Italiaanse onderdanen.

Roemenië: de Holocaust onder Ion Antonescu

Volgens de Wiesel Commissie en het rapport uit 2004 door de Roemeense regering opgesteld zijn op verschillende manieren tussen de 280.000 en 380.000 Joden vermoord in Roemenië en in de aangrenzende oorlogsgebieden Bessarabia, Bukovina en in het kamp Transnistria Governorate.

De fascistisch politicus Ion Antonescu (zie foto met Hitler) was premier van Roemenië in de periode 1940-1944. Voorheen was hij benoemd tot maarschalk in het leger. Antonescu was een militant opponent van Rusland en andere Slavische landen, maar duidelijk een bewonderaar van het opkomend fascisme in Italië en Duitsland.

Ion Antonescu werd op 5 september 1940 benoemd tot premier. Dit nadat het land in de zomer van dat jaar Noord-Boekovina en Bessarabië aan de Sovjet-Unie en Zuid-Dobroedzja aan Bulgarije had verloren. Deze verliezen leed het land nadat het zich bij de zogenaamde As-mogendheden had aangesloten. Een alliantie waarin de belangrijkste landen Duitsland, Italië en Japan de gemeenschappelijke vijand waren van de geallieerden.

Ion Antonescu vormde als premier in 1940 een nationaal-legionairs regering waar ook de IJzeren Garde, een Roemeense fascistische organisatie, deel van uitmaakte. Vanaf de vorming van deze regering tot 1942 werden 80 anti-Joodse verordeningen uitgevaardigd. Vanaf eind oktober 1940 begon de IJzeren Garde een grote antisemitische campagne die bestond uit het aftuigen, martelen van Joden en plunderen van hun winkels, die eindigde in een pogrom in Boekarest waarbij 120 Joden omkwamen. Ion Antonescu beëindigde uiteindelijk dit geweld en deze chaos veroorzaakt door de IJzeren Garde door hen onder druk te zetten, maar zette de politiek van onderdrukking en massamoord van Joden voort. In iets mindere mate gold dit voor de Roma bevolking.

Het Roemenië onder Ion Antonescu steunde Hitler-Duitsland in de strijd tegen de Sovjet-Unie. In 1941 stuurde het land maar liefst vijftien legerdivisies naar het Oostfront waar op dat moment fel gevochten werd. Nadat Roemenië aan deze oorlog was begonnen werden de gruwelijkheden tegen Joden gemeen goed. Zo werd op 27 juni 1941 de Iasi-pogrom begonnen. De dictator Antonescu belde met Kolonel Constantijn Lupu, commandant van het Iasi-garnizoen met de opdracht de Iasi populatie met Joden te vermoorden.
Ion Antonescu gelastte 130.000 en 145.000 Joden naar Bessarabia en Bukovina te deporteren die als communistische vijanden werden beschouwd. De deportaties bleken niets anders dan treintransporten en massamoorden naar het concentratiekamp Transnistria Governorate. Verdere moorden onder Joden werden uitgevoerd door de doodseskaders van Antonescu waardoor nogmaals 100.000 Joden omkwamen in Odessa, Bogdanovka en Akmecetka tussen 1941 en 1942.

Geschat wordt dat 270.000 van de 320.000 Joden die leefden in Bessarabia, Bukovina en het vroegere Dorohoi gebied vermoord werden tussen juni 1941 en het voorjaar 1944. In verschillende gebieden waren er getto's en werden er pogrom gehouden. Het Roemeense leger werkte samen met de Duitse Einsatzgruppe om de massamoord op Joden zo efficiënt mogelijk uit te voeren in de grensgebieden met Roemenië. De schatting is dat hier weer zo'n 250.000 Joden en 25.000 Roma omkwamen. Dat uiteindelijk een deel van de Roemeense Joden aan de Holocaust ontsnapte, was alleen maar te danken aan het keren van de oorlogskansen voor Roemenië.

De Slag om Stalingrad mislukte volledig, bekeken vanuit het oogpunt van Duitsland en zijn bondgenoten. Antonescu probeerde hierna de kleinere landen die deel uitmaakten van de As-mogendheden gezamenlijk te laten optrekken. Ook dit mislukte en de Roemeense premier gaf zijn minister van Buitenlandse Zaken, Mihai Antonescu, toen opdracht zich maar bezig te gaan houden met vredesinitiatieven.

De regeringsperiode van Antonescu wordt vaak onderverdeeld in twee perioden.
Allereerst de periode van september 1940 tot en met januari 1941 waarin er een coalitie gesloten werd met de antisemitische IJzeren Garde onder leiding van de fanatieke fascist Corneliu Zelea Codreanu. Joden werden in Roemenië in die tijd al fel vervolgd. De periode hierna (tot augustus 1944) wordt gezien als de fase waarin de IJzeren Garde werd uitgeschakeld. Het is zeer de vraag in hoeverre dit het Jodenvraagstuk heeft beïnvloed.

Opvallend is dat Ion Antonescu tijdens zijn bewind kwam met het plan om de ongeveer 800.000 Joden in Roemenië massaal naar Palestina over te brengen. De Engelsen zagen echter niets in dit plan. Ondanks het feit dat de IJzeren Garde na 1941 geen deel meer uitmaakte van de regering was de Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog allesbehalve veilig in Roemenië zoals we hiervoor al vermeldden. In tegenstelling tot vele andere landen waren het de Roemenen zelf die vaak het vuile werk van de Jodentransporten en massamoorden opknapten.

In Berlijn was men daar zeer over te spreken. Reeds in augustus 1941, omschreef Hitler de Roemeense fascistische dictator Ion Antonescu als een man die 'wat betreft het Joodse vraagstuk veel radicaler te werk gaat dan wij tot op de dag van vandaag hebben gedaan'. Kan iemand als de staatsgangster en fascist Hitler het nog duidelijker zeggen waar Ion Antonescu voor stond als Jodenmoordenaar? Deze lovende woorden van

Hitler had Antonescu onder meer te danken aan de pogrom in de stad Iasi. Hoewel Ion Antonescu wellicht niet katholiek is, is 91% van de Roemeense bevolking Orthodox- en Rooms-katholiek. De fel antisemitische IJzeren Garde heeft naar alle waarschijnlijkheid veel steun doordat de katholieken in Roemenië een sterk gedachtegoed hebben over Joden, zoals verwoord in de katholieke theologie.

Koning Michaël liet Ion Antonescu op 23 augustus 1944 arresteren. Tijdens een rechtszaak werd geoordeeld dat hij zich schuldig had gemaakt aan verraad van Roemenië door de belangen van Nazi-Duitsland boven de belangen van zijn eigen volk te laten prevaleren. Op 1 juni 1946 maakte een vuurpeloton een einde aan zijn leven.

Na de Roemeense Revolutie van 1989, waarbij de Roemenen zich ontdeden van de com-munistische dictator Nicolae Ceausescu, werd Antonescu door veel Roemenen gezien als een held. Dit omdat ook hij zich verzet had tegen de Russen. Op verschillende plekken in het land verrezen standbeelden van Antonescu.

Deze werden in 2002 echter verwijderd omdat ze gezien werden als symbolen van racisme en fascisme. In Roemenië werd de Holocaust na de oorlog doodgezwegen. Met de executie van Antonescu in 1946 werd de zaak als afgehandeld beschouwd. Ook na de val van het communisme in 1989 was er geen ruimte voor een schuldbekentenis. Nog in 2003 kon president Ion Iliescu verklaren dat er in Roemenië nooit een Holocaust had plaatsgevonden.

Pas nadat een internationale commissie onder leiding van de in Transsylvanië geboren Nobelprijswinnaar Elie Wiesel (die Auschwitz en Buchenwald overleefde) in 2004 (zie hiervoor) tot de conclusie was gekomen dat de Roemenen meer doden op hun geweten hebben dan enige andere bondgenoot van Duitsland, konden de Roemenen niet meer om de feiten heen. Er werd een jaarlijkse herdenkingsdag ingesteld en president Traian Basescu onthulde een monument voor de vermoorde Joden en Roma.

Slowakije: priester-president Jozef Tiso en zijn regime

Jozef Tiso was een belangrijk Slowaaks rooms-katholiek priester, politicus, collaborateur en president van de Eerste Slowaakse Republiek. Vanaf 1938 was hij de vertegenwoordiger van de Slowaakse regering.

Op 14 maart 1939 riep Tiso de Slowaakse onafhankelijkheid uit na de sterke druk van nazi-Duitsland, dat in oktober 1938 Sudetenland (vooral Tsjechië) waar veel Duitsers woonden, had bezet en waarbij Slowakije werd afgesplitst. Tiso was president tot 1945, toen Tsjecho-Slowakije weer hersteld werd. "Tiso wilde de Slowaakse gemeenschap omvormen tot een katholieke eenheidsstaat en voer onmiddellijk een meedogenloos antisemitische koers ten koste van tienduizenden Joden die zich in de loop van de geschiedenis in het land gevestigd hadden. Hij was trouw aan wat zijn rooms-katholieke geloof hem als priester geleerd had namelijk: 'diepe Jodenhaat'.

In het parlement zaten zestien katholieke priesters die de antisemitische koers met enthou-siasme steunden. De antisemitische politiek van Tiso en zijn regering leidde uiteindelijk tot een van de ergste gevallen van vervolging en vernietiging van de Joden uit de geschiedenis (Verhofstadt, 2008)".
Onder leiding van Tiso (zie foto met Hitler), werden in 1942 58.000 Slowaakse joodse mannen weggevoerd naar Duitse dwangarbeidskampen. Aan de nazi's betaalde Slowakije 500 mark per afgevoerde joodse man als onkostenvergoeding voor huisvesting, voeding en kleding. Voor de Duitsers was dit groot nieuws; dit had men nog niet eerder meegemaakt. "De Slowaakse autoriteiten hadden er dus een lief ding voor over om van hun Joden af te komen, wat niet zo verwonderlijk was, want zo konden ze hun bezittingen en geldtegoeden aanslaan.

Later stuurde Angelo Rotta, de pauselijke nuntius in Boedapest, een bericht door dat hij had ontvangen uit Joodse kringen in Bratislava. 'We zijn tot vernietiging gedoemd. We weten met zekerheid dat we naar Polen (Lublin) worden gedeporteerd. Men heeft ons alles afgenomen (bezittingen, wasgoed, kleding, bedrijven, huizen, geld, goud, bankdeposito's en ook alle huisraad) en nu wil men ons, Slowaakse burgers, naar Polen verbannen en iedereen zonder geld noch materiële middelen aan een zekere ondergang en de hongerdood prijsgeven' (Verhofstadt, 2008)".

Alle protesten, ook van de kant van katholieke bisschoppen, legde Tiso naast zich neer en de deportaties naar Polen gingen gewoon door. Zijn extra betaalde Hlinka-soldaten, die het vuile werk deden bij de transporten, sloegen de Joden als beesten en beroofden hen van hun laatste bezittingen. Met alle transporten die er nog volgden bleef steeds weer een publiek protest van het Vaticaan uit. Tiso was een zeer gelovig man.

Zelfs tijdens zijn presidentschap bleef hij zijn katholiek priesterambt uitoefenen. Maar de vele verzoeken van bisschoppen aan hem over het afzien van transporten van Joden (zie foto) werden herhaald in de wind geslagen. De deportaties betroffen ook kleine kinderen, doodzieke ouderen, jonge meisjes en jonge mannen; ze werden met duizenden als vee afgevoerd.
Van de 58.000 Slowaakse joodse mannen die 1942 eerder op transport waren gezet, zouden er slechts 300 overleven. Na de complete bezetting van Slowakije door Duitsland, vanaf oktober 1944 tot maart 1945 werden nog meer dan tienduizend Joden afgevoerd naar Polen en in de gaskamers vernietigd. Uiteindelijk bleken er onder de regering van deze katholieke priester en president Tiso meer dan 105.000 Slowaakse Joden vermoord te zijn. Dit is 78% van de Joodse bevolking van voor de oorlog. Als eerste Slowaakse politicus sprak professor Voltech Tuka, een fanatiek antisemiet, al op 12 februari 1938 met Adolf Hitler over het opbreken van de Tsjecho-Slowaakse staat.

Op 7 april 1942 had Mgr. Burzio, waarschijnlijk op verzoek van de paus, een ontmoeting met toen minister-president Tuka. Dit gesprek liep bepaald niet onderhoudend. Tuka zei later dat hij niet begreep waarom het Vaticaan zich bemoeide met de Jodenzaak in zijn land. Hij zag het als zijn plicht zijn land te verlossen van die 'pest verspreidende' bende dieven, honden en ongedierte.

Twee citaten van Jozef Tiso:
"We willen geen slaaf zijn van vreemde ideologieën, wij gehoorzamen alleen idealen die voortkomen uit Slowaakse tradities. Ons ideaal is een onafhankelijk Slowakije volgens christelijke traditie, waarbij de belangen van Slowaken voorop staan. Ik ga ervan uit dat de christelijke idealen overeenkomen met de belangen van ons volk (1939)." Citaat uit een brief aan het Vaticaan in december 1944:
"Wij hebben geen schuld, onze enige schuld is de dankbaarheid en trouw aan de Duitsers. De Duitsers hebben het bestaan van onze natie en ons recht op vrijheid erkend. Ze hebben ons beschermd tegen onze vijanden: de Tsjechen en de Joden. Ik weet zeker dat de katholieken in de toekomst onze huidige trouw aan Duitsland toch als een deugd zullen zien".

Beide citaten zijn duidelijk katholiek, nationalistisch en met steun aan het fascisme. Het Vaticaan met paus Pius XII sedert 1939 werd tijdens het bewind van Tiso herhaald op de hoogte gesteld van de massale deportaties van Joden naar Polen. Het bleef steeds weer bij geen duidelijk standpunt innemen en zeker niet protesteren over de moord op de Joden onder Tiso. Deze paus protesteerde pas toen Tiso ter dood werd veroordeeld en maakte daarmee duidelijk hoe belangrijk Tiso was, niet alleen voor de Duitsers, maar ook voor het Vaticaan, ongeacht zijn vreselijke massamoord op Joden.

Zo zie je maar waartoe een katholiek gelovig priester als Jozef Tiso in staat is geweest. Apostel Paulus zou trots op hem zijn als zovele andere katholieke kerkvaders voor zijn Heilige en dappere strijd tegen het Joodse volk. Omdat hij tijdens de oorlog met de Duitsers had gecollaboreerd werd hij na de oorlog in 1947 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Een veel te gemakkelijke en zachte dood voor deze katholiek gelovige en groot fascistisch misdadiger Jozef Tiso.

Kroatië: Ustase beweging van Ante Pavelić

Er is in Europa nergens een voorbeeld waarbij zo duidelijk de vreselijke wreedheden van het Ustasa regime en zijn leider Ante Pavelić zo overtuigend te zien is in relatie tot de volledige goedkeuring door het Vaticaan vanaf 1929 tot en met 1945. Wat er gebeurde in Kroatië door het Ustasa regime werd zelfs door Nazi SS'ers als wreed gekenschetst.

Ante Pavelić (foto met Hitler) was een overtuigd katholiek en van 1921 tot 1929 voor de Kroatische Partij van het Recht de enige afgevaardigde in het Joegoslavische parlement en deze partij streefde naar een onafhankelijk Kroatië. In 1929 had koning Alexander I van Joegoslavië de grondwet buiten werking gesteld en Pavelić vluchtte naar Engeland waar hij de Ustasa beweging oprichtte.
Vanaf 1929 zorgde de regering Mussolini in Italië voor een huis in Bologna voor Pavelić en zijn familie, dat diende als Ustasa hoofdkwartier. Met behulp van het fascistisch hoofd Conti van de geheime politie en de minister van politie Bocchini konden jonge mannen die in Kroatië woonden en Ustasa aanhangers waren, in Italië militair getraind worden. De bedoeling was dat deze soldaten later Kroatië zouden bevrijden. Elk lid van de Ustasa beweging moest de eed van trouw zweren op "de Almachtige God" en gehoorzaamheid uitspreken aan de statuten. Op 22 maart 1929 werd de hoofdredacteur van de Novosti Anton Slegel vermoord. Zijn nauwste collega Gustav Percec werd eigenhandig door Pavelić vermoord.

Later pleegde Pavelić een aanslag op Koning Alexander I van Joegoslavië, die in 1934 in Frankrijk werd vermoord. Pavelić werd door Frankrijk bij verstek ter dood veroordeeld. Pavelić, die toen in Italië verbleef, werd door Mussolini niet uitgeleverd. In 1936 gaf Pavelić een verklaring waarin hij begrip vroeg voor: "de heldhaftige strijd van het nieuwe Duitsland en zag Duitsland als de sterkste vechter voor recht, ware cultuur en een hoge vorm van beschaving".

Na de Duitse inval in Joegoslavië in 1941 keerde Pavelić terug naar Kroatië. Kroatië werd de Onafhankelijke Staat Kroatië (NDH) bestaande naast Kroatië, Bosnië, Herzegowina en een deel van Dalmatia en enkele Servische grensgebieden. Pavelić werd de leider van deze nieuwe staat.
De proclamatie van de nieuw staat Kroatië begint en eindigt met de naam van God: "God's voorzienigheid, onze grote steun en toeverlaat, de eeuwenoude strijd van het Kroatische volk en ons voor onze leider Pavelić en de Ustasa vandaag hier en wereldwijd op te offeren, voor de wederopstanding van de Zoon van God, zal onze onafhankelijke staat Kroatië herrijzen". Pavelić ging nu de strijd aan zoals met Serviërs met zijn fascistische vrienden Italië en Duitsland. Van de zes miljoen inwoners in de nieuwe staat waren er drie miljoen katholieke Kroaten, twee miljoen Orthodox katholieke Serviërs, een half miljoen Bosnische Moslims en de rest waren Duitsers, Magyars (Hongaren), Joden, Slovenen, Tsjechen en van een andere nationaliteit.

Pavelić werd in een audiëntie met paus Pius XII persoonlijk gezegend met zijn aanstelling als hoofd van de onafhankelijke staat Kroatië en wenste hem het beste met zijn verdere werk. De Kroatische media waren geraakt door de aandacht en warmte van deze paus voor Pavelić.

Zijn verdere werk bestond uit het plunderen van 299 Servisch Orthodoxe kerken. De kerken van Jasenovac, Velika Kladusa, Surduk, Svinica, Suha Mlaka, Veljun en Belegië werden omgebouwd tot slachthuizen; de kerken in Hadzici, Plaski, Drvar, Travnik, Modric en Gomirje tot pakhuizen; en die van Vreoce, Drinjaca, Mrkonjic, Grad, Cvijanovicevo Brdo en Jajce werden publieke toiletten en de kerken van Citluce, Donji Vakuf, Stari, Majdan, Sanski Most en Mojkovac werden stallen. Waar Serviërs in de meerderheid waren, werden de kerken vernietigd en in de andere gebieden werden de kerken omgebouwd om als Katholieke kerkdienst te doen.

Zijn Ustasa partij voerde een dictatoriaal bewind, gericht op het realiseren van een homogene natiestaat, waarvan de Joden, zigeuners (Roma en Sinti), andere minderheden, linkse opposanten, maar vooral ook de Serviërs extreem het slachtoffer werden. De Ustasa wilden een derde van de Serviërs uitroeien en een derde assimileren. Dit hield in dat zij tot het katholicisme bekeerd moesten worden (met steun van de paus in Rome) als Kroatisch ingezetene en een derde moest gedeporteerd worden naar hun eigen land, Nedic-Servië.

Het extreme geweld door de Ustasa brak al snel los met alle steun van paus Pius XII. Dit geweld was nergens zo walgelijk wreed als in Kroatië. Vanaf april 1941 moesten de Serviërs een armband met een P (pravalov= Orthodox), en Joden de Davidster dragen. In alle kantoren, winkels en restaurants, en het openbaar vervoer hingen affiches met: "Geen toegang voor Serviërs, Joden, Heidenen en honden"!

De orthodox-katholieke clerus werd vreselijk gemarteld naast dat vele honderden van hen werden vermoord. Het martelen ging zo ver dat men werd gebrandmerkt, oren en neuzen werden afgesneden en ogen werden uitgestoken voordat ze gedood werden. De katholiek clerus eiste dat de orthodox-katholieke Serviërs zich bekeerden tot het geloof van Rome; alleen dan werd men met rust gelaten. Veel Serviërs, Joden en Roma kwamen terecht in de Kroatische internerings- en concen-tratiekampen zoals het beruchte kamp Jasenovac.

"In de nacht van 28 april 1941 omsingelden mannen van de Ustasa enkele dorpen waar orthodox-katholieke Serviërs (die werden gelijkgesteld met zigeuners en Joden) woonden, namen 250 mannen gevangen onder wie enkele priesters, dwongen hen een kuil te graven, bonden hen met ijzerdraad aaneen en begroeven hen levend. In dezelfde nacht vermoordden leden van de Ustasa uit haat tegen de orthodoxe kerk 180 Serviërs bij enkele andere dorpen en wierpen hen in een rivier.

Op 14 mei 1941 bracht de Ustasa enkele honderden Serviërs bijeen en voerde hen in een kerk. Twee van hen werden vrijgelaten omdat ze verklaarden tot de rooms-Katholieke Kerk te willen toetreden, de anderen werden op beestachtige wijze in de kerk met messen en bijlen vermoord (Gilst, 2013)". Onder het regime van Pavelić werden abortus, pornografie, lidmaatschap van de Vrijmetselarij en zelfs vloeken verboden. In verschillende restaurants werd de segregatie toegang voor Serviërs, Joden, Sinti en Roma geweigerd.
De Ustasa partij zou, na de vernietiging van de Serviërs en de orthodoxe kerken, totale vergeving krijgen van de Katholieke Kerk en vele katholieke geestelijken gaven openlijk toestemming voor de gruwelijkheden die gepleegd werden. Alle orthodoxe kerken werden verwoest en de orthodoxe geestelijken gemarteld en vermoord.
(Foto: herdenkingsmonument concentratiekamp Jasenovac)

Het Vaticaan erkende de staat Kroatië echter niet openlijk, al waren er zeker nauwe banden. Dit werd bevestigd in 1986 na het openbaar maken van de geheime Vaticaanse documenten. Ante Pavelić bleek steeds meer een fascist met alle trekken van een gewetenloze dictator. Pavelić heeft op allerlei manieren actief bijgedragen aan de terreur en de extreme gruwelijkheden van zijn regime in Kroatië.

De Italiaanse auteur Curzio Malaparte interviewde Pavelić in Zagreb. Terwijl Pavelić sprak keek Malaparte naar een gevlochten mand met naar het leek schaaldieren.
"Heeft u oesters uit Dalmatia", vroeg Malaparte? "Nee, zei Pavelić met een glimlach, een gift van onze loyale Ustasa partij, 20 kilo mensenogen!" Dit was de man die paus Pius XII had gezegend.


Mile Budak (minister onder Pavelić) pleitte openlijk voor de vernietiging van anders-denkenden: "Grondslag van de Ustasa-beweging is religie. Voor minderheden als Serviërs, Joden en zigeuners hebben wij drie miljoen kogels. We zullen een deel van de Serviërs doden. De anderen worden het land uitgezet en de rest zullen wij dwingen het katholieke geloof over te nemen (Verhofstadt, 2008)".

"Een aantal priesters en monniken volstond niet met het aanzetten tot de massamoorden, maar nam er zelf aan deel, bijvoorbeeld de franciscaan Miroslav Filipović, leider van het vernietigingskamp Jasenovac waar meer dan 200.000 mensen werden vermoord onder wie meer dan 10.000 kinderen (Gilst, 2013)."

Het aantal slachtoffers van het Ustasa regime wordt geraamd op ruim 500.000 Serviërs, 20.000 zigeuners, duizenden tegenstanders van het regime en ruim 80% van de 70.000 Joden in Kroatië. Nog steeds worden er massagraven ontdekt uit de Tweede Wereldoorlog en is het aannemelijker dat het aantal slachtoffers boven het driekwart miljoen ligt, dan eronder.

Na een verblijf van twee jaar, aanvankelijk in het klooster van San Girolamo in Rome en met de volledig bescherming van de Heilige Stoel, vestigde Pavelić zich in 1947 in het Argentinië van dictator Juan Perón. Pavelić was in Argentinië veiligheidsadviseur van deze Argentijnse fascistische dictator. Na een mislukte aanslag op zijn leven, op 9 april 1957, besloot Pavelić om naar het Spanje van generaal Franco te verhuizen, waar hij op 28 december 1959 overleed aan complicaties van zijn schotwonden.

Bij zijn overlijden hield hij een krans vast die hij persoonlijk van paus Pius XII had gekregen. Tot zijn dood bleef hij trouw aan zijn katholiek geloof en zijn grote Heilige leider de paus in Rome. Gezien zijn misdaden en gedrag is Ante Pavelić in alles een volbloed psychopaat.

Hongarije: de Hongaarse Holocaust

Hongarije is vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog een bondgenoot geweest van nazi-Duitsland. Vele Hongaren vochten mee met de Duitsers aan het Oostfront tegen Rusland. De bevolking in Hongarije was in meerderheid katholiek en fel antisemitisch. "Miklós Horthy, de regent of Reichsverweser, vertegenwoordigde zondermeer de lijn van de Katholieke Kerk, die al vroeg, nog vóór Hitler aan de macht kwam, een antisemitische richting ingeslagen was. De eerste antisemitische verordeningen dateren al van 1920 (Verhofstadt, 2008)".

Toch weigerde de regering de eigen Joden, ongeveer 750.000, uit te leveren. Wel werden Joden massaal gedeporteerd naar de Duitse zone via geannexeerde gebieden zoals de Karpaten, Oekraïne en het gebied rond Vojvodina samen met vele Serviërs, zoals in Novi Sad op 20 januari 1942. Nadat Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen, raakte de Hongaarse regering al geïnteresseerd in het sluiten van een verdrag met nazi-Duitsland. De Hongaren dachten dat zo'n alliantie goed voor hen zou zijn, aangezien de twee regeringen overeenkomstige autoritaire ideologieën koesterden en omdat de Duitsers hen zouden kunnen helpen land terug te krijgen dat zij in de Eerste Wereldoorlog hadden verloren.

De vijf jaar daarna werd de band van Hongarije met Duitsland sterker. De conferentie van München van september 1938 gaf Duitsland toestemming het Sudetengebied dat aan Tsjecho-Slowakije behoorde te annexeren. In november hakte Duitsland een gedeelte van Tsjecho-Slowakije af - een deel dat vroeger aan Hongarije had behoord - en gaf dit terug aan Hongarije om de betrekkingen tussen de twee landen te verstevigen. In augustus 1940 gaf Duitsland ook Noord-Transsylvanië aan Hongarije terug.

"De geschiedenis van de ondergang van de Hongaarse Joden is in het kader van dit boek bijzonder relevant, omdat het een goed beeld geeft van de reactie van Pius XII op de deportaties en de massamoorden die in dit stadium van de oorlog zowat algemeen bekend waren (Verhofstadt, 2008)." De kerk trad vooral op over de wet uit 1941. Namelijk over de bepaling wie als Jood moest worden beschouwd. Daarin ging Hongarije namelijk het verst van alle Europese landen. Ook de tot het christendom gedoopte half-Joden werden als Jood bestempeld, waardoor ongeveer 45.000 tot het katholicisme bekeerde Joden werden getroffen. Over hun status ging de Katholieke Kerk de confrontatie aan met de regering, niet over de Joden in het algemeen want daar ging het niet om bij de Katholieke Kerk. Een katholiek is alleen een herder in zijn eigen hof wat kennelijk het motto was van het Vaticaan in Rome.

In maart 1941 kreeg Hongarije nog meer land toegewezen, toen het zich ondanks de alliantie met de Joegoslavische regering aansloot bij zijn nieuwe bondgenoot Duitsland, voor de inval in en verdeling van Joegoslavië. Inmiddels was door de inname van al die nieuwe gebieden de Joodse bevolking in Hongarije gegroeid tot 725.007, exclusief ongeveer 100.000 Joden die zich hadden bekeerd tot het christendom, maar naar ras werden beschouwd als Joden. Hongarije begon spoedig na de Anschluss, de annexatie van Oostenrijk door Duitsland in maart 1938, met het uitvaardigen van een anti-Joodse wetgeving. Er werd een wet aange-nomen die de

Joodse deelname aan de economie en de beroepsuitoefening met 80 procent verminderde. In mei 1939 werden er nog meer beperkingen voor Joden op economisch gebied opgelegd en werden de Joden onderscheiden als een ras in plaats van een religieuze groepering. In 1939 ontwierp Hongarije een nieuw soort arbeidsdienstplicht, die Joodse mannen in de dienstplichtige leeftijd dwong toe te treden. Later zouden vele Joodse mannen in dit kader omkomen. In 1941 nam de Hongaarse regering een rassenwet aan die overeenkwam met de Neurenbergse wetten in Duitsland, die officieel vaststelde wie wel of niet als Jood moest worden beschouwd.

Er was een groep Hongaarse Joden die in de zomer van 1941 slachtoffer werd van een trage-die. Zo'n 18.000 Joden werden in het wilde weg door de Hongaarse autoriteiten als Joodse buitenlanders bestempeld, hun huizen uitgezet en gedeporteerd naar Kamenets-Podolski in de Oekraïne, waar de meesten in koelen bloede werden vermoord. Nog eens 1.000 Joden, uit een pas door Hongarije verworven gedeelte van Joegoslavië, werden begin 1942 door Hongaarse soldaten en politie vermoord als gevolg van hun 'vervolging van Partizanen'.

Gelijktijdig met de aanname van de anti-Joodse wetten raakten de Hongaarse autoriteiten steeds meer verwikkeld in hun alliantie met Duitsland. In juni 1941 besloot Hongarije zich bij Duitsland aan te sluiten in de oorlog tegen de Sovjet-Unie. In december 1941 sloot Hongarije zich ten slotte aan bij de As-mogendheden en verklaarde de Verenigde Staten de oorlog, waarmee het land alle banden met het westen verbrak.
Maar na de nederlaag van Duitsland in Stalingrad en andere veldslagen, waarin Hongarije tienduizenden soldaten verloor, probeerde de regent van Hongarije, Miklós Horthy zich van de alliantie met Duitsland los te maken. Deze manoeuvre was echter onaanvaardbaar voor Hitler en zijn naziregime in maart 1944. Nota bene aan het einde van de oorlog vielen Duitse troepen Hongarije binnen ten einde de trouw van het land met geweld te verzekeren. Hitler vormde meteen een nieuwe regering die hij dacht te kunnen vertrouwen met Döme Sztójay (de vroegere Hongaarse ambassadeur in Duitsland) als minister-president. Het bezettingsleger werd vergezeld van een Sonderkom-mando, aangevoerd door Adolf Eichmann, die de taak had binnen Hongarije de Endlösung verder snel ten uitvoer te brengen.

Er werden met de grootste spoed anti-Joodse decreten uitgevaardigd. In heel Hongarije werden Judenräte opgericht met een centrale Judenrat, de Zsido Tanacs, in Boedapest onder leiding van Samu Stern. De Duitsers isoleerden de Joden van de rest van de wereld door hen in hun bewegingsvrijheid te beperken en hun telefoons en radio's te confisqueren. De Joden moesten de gele Davidster dragen om hen beter herkenbaar te maken. Joodse eigendommen en zaken werden in beslag genomen en van midden tot eind april 1944 werden de Hongaarse Joden gedwongen naar getto's te verhuizen.

Hun verblijf in de getto's duurde maar kort. Na twee tot zes weken werden de Joden uit elk getto op de trein gezet en gedeporteerd. Tussen 15 mei en 9 juli (dus in minder dan twee maanden) werden ongeveer 430.000 Hongaarse Joden gedeporteerd, voor het grootste deel naar Auschwitz-Birkenau waar de helft van hen direct na aankomst werden vergast. Begin juli 1944 maakte Horthy, die nog steeds van plan was de banden van Hongarije met Duitsland te verbreken, een eind aan de deportaties. Maar het kwaad was al geschied.

Inmiddels was heel Hongarije Judenfrei, behalve de hoofdstad Boedapest. In het voorjaar van 1944 begonnen Israël Kasztner, Joel Brand en andere leden van het Hulp- en reddingscomité van Boedapest onderhandelingen met de SS om levens te sparen. Veel Joden (mogelijk zo'n 8.000) ontvluchtten Hongarije, de meesten naar Roemenië, velen met hulp van leden van de zionistische jeugdbeweging.
Van juli tot oktober 1944 leefden de Joden van Boedapest in betrekkelijke veiligheid. Op 15 oktober kondigde Miklós Horthy echter in het openbaar aan dat hij de alliantie van Hongarije met Duitsland verbrak en hij vrede zou gaan sluiten met de geallieerden. De Duitsers staken daar een stokje voor en ze brachten Miklós Horthy's regering ten val, waarna de macht overging naar de wrede dictator en fascistenleider Ferenc Szálasi (zie foto) als minister president en zijn fascistische handlangers, de gewelddadige antisemitische Pijlenkruisers.

De Pijlenkruisers joegen direct terreur aan in Boedapest. Bijna 80.000 Joden werden gedood alleen al in Boedapest. Neergeschoten op de oever van de Donau en daarna in de rivier geworpen. Duizenden anderen werden gedwongen dodenmarsen te maken naar de Oostenrijkse grens. In december, tijdens de belegering door de Sovjets van de stad, werden 70.000 Joden naar een getto verdreven en stierven duizenden van de kou, aan ziekten en van de honger.

Tienduizenden Joden in Boedapest werden gered tijdens het regime van de Pijlenkruisers door leden van het Hulp- en Reddingscomité en andere Joodse activisten, in het bijzonder leden van de zionistische jeugdbeweging, die identiteitspapieren vervalsten en hun voedsel gaven. Deze Joden werkten samen met buitenlandse diplomaten, zoals de Zweed Raoul Wallenberg, de Zwitser Carl Lutz en anderen, die vele Joden internationale bescherming gaven.

In april 1945 werd Hongarije door het Sovjetleger bevrijd. Een extreem aantal van 568.000 Hongaarse Joden zijn tijdens de Hongaarse Holocaust omgekomen. Je kunt het je bij benadering niet voorstellen wat een massamoord van zoveel Joden, het Hongaarse volk met behulp van de nazi's, dit het Joodse volk kon aandoen met behulp van het katholieke 'geloof in Christus', het klerikaal fascisme en hun antisemitisme.

Spanje: Franco's regime

(Foto 1939 Franco in San Sebastiaan)
Al vroeg beschikten priesters in Spanje over bijzonder veel macht. De ketter- en Joden-vervolging, de inquisitie en de slavernij waren nergens zo extreem. De katholieke jezuïeten orde had in het begin van de 20ste eeuw de controle over een derde van het gezamenlijke Spaanse kapitaal. Begin van de negentiende eeuw bezat de kerk 17% van het Spaans grondgebied. Dit steekt schril af tegen duizenden vaak arme gevangenen die onder verantwoordelijkheid van de Katholieke Kerk op middeleeuwse manier werden gefolterd of doodgeschoten.

In hele landstreken in Spanje was armoede en werd hongergeleden en kwamen er veel mensen om. In 1870 was nog 60% van de Spaanse bevolking analfabeet. In 1936 leefden veel Spanjaarden nog in grote armoede en de werkloosheid was enorm. In 1960 konden vijf miljoen Spanjaarden niet lezen en schrijven en in 1930 gingen er alleen al in Madrid tachtigduizend kinderen niet naar school.

De Spaans Katholieke Kerk zorgde voor de marteling van duizenden mensen en honderden werden met de kogel vermoord via Middeleeuwse methoden nog vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De kerk werd zo gehaat dat 70% van de Spanjaarden in 1910 niet praktiserend katholiek meer waren en nog maar 3,5% ging naar de kerk in Madrid, 25% van de kinderen waren niet gedoopt.

In Andalusia ging maar 1% van de bevolking naar de kerk en soms stond de priester alleen in de kerk om zijn preek te houden. En dit eeuwenlang onder de Spaanse monarchie die altijd het katholieke geloof van het Vaticaan had uitgedragen, extreem ten koste van de sociale ontwikkeling van het Spaanse volk. Mensen sloten zich daarom massaal aan bij liberale, socialistische of radicaal-socialistische partijen begin twintigste eeuw en keerden de Katholieke Kerk de rug toe.

Al snel werden veel belangrijke hervormingen doorgevoerd. De nieuwe regering was zeker niet antichristelijk, maar Rome probeerde al snel zijn machtspositie weer te herstellen. De Katholieke Kerk deed dit door samen te spannen met aanhangers van het oude regime, grootgrondbezitters, de adel en delen van de boerenbevolking.

Bij de stedelijke verkiezingen op 12 april 1931 was het al duidelijk dat de heersende monarchie met King Alfonso XIII op zijn einde was. Bij de parlementaire verkiezingen in juni 1931 behaalden de republikeinen en socialisten 377 zetels terwijl de rechts en katholieke partijen maar 60 zetels behaalden in de volksvertegenwoordiging. In december 1931 werd in Spanje de republiek uitgeroepen en werd Manuel Asana y Diaz premier van het eerste cabinet.

In 1933 riepen de Spaanse bisschoppen en paus Pius XI in een encycliek op tot een Heilige Kruistocht voor het volledig herstel van de katholieke rechten. En dat nota bene in 1933! De kerk kreeg de steun van politiek rechts met een polariserende tegenstand wat er uiteindelijk toe leidde dat onder de ultrarechtse katholieken en tegen het fascisme aanleunende regering onder Alejandro Lerroux de verworvenheden van de Tweede Republiek teniet werden gedaan. Hierdoor werd het voor de burger weer een grote chaos. "Ontelbaren verloren weer hun baan, belandden zonder vorm van proces en louter om politieke redenen in de gevangenis, waar ze vaak ook nog gefolterd werden; alleen al in oktober 1934 ondergingen 30.000 mensen dit lot (Deschner, 1995)".

De reactie hierop waren stakingen en opstanden. De arbeiders, de boeren, de kleine burgerij en de middenstand verenigden zich vanaf begin 1936 in een Volksfront. Op 16 februari van dat jaar behaalden ze als Volksfront een klinkende politieke zege op het Nationale Front dat bestond uit katholieken, fascisten en monarchisten. Deze overwinning werd niet geaccepteerd door de rechtsradicalen van het Nationaal Front en Duitsland hielp generaal Franco, door zijn uit islamitische Moren bestaande vreemdelingenlegioen uit Noord-Afrika over te laten komen, om de katholieke macht weer te herstellen.

Met de slogan: "Leve de dood" gingen de Moren te werk om hele wijken met de grond gelijk te maken en ongewapende mannen met messen af te maken (Moren hadden de gewoonte hun slachtoffers te castreren; afgekeken van leeuwen die elkaar vermoorden). In 1937 ondertekenden alle Spaanse bisschoppen op twee na een herderlijk schrijven gericht aan alle bisschoppen ter wereld, waarin ze de oorlog van de nationalistische troepen van Franco tegen de republikeinen als een rechtvaardige kruistocht beschreven.

Door zijn staatsgreep, zo heette het, had Franco de Hispanidad (alle Spaanstalige landen), de westelijke beschaving en de katholieke godsdienst gered! Deze redding werd een van de stichtingsmythes en de ideologie van het franquistische regime dat zichzelf zag als een vaste burcht tegen de ondergang van de beschaving. De Katholieke Kerk, vertegenwoordigd door de pausen Pius XI en Eugenio Pacelli (latere paus Pius XII), die in vele delen van Europa invloed verloor door de toenemende secularisatie, vond in Franco een welkome bondgenoot. Na Mussolini en Hitler kon de derde dictator aan de rij van katholieke fascistische misdadigers worden toegevoegd.
Zowel de Italiaanse als de Duitse fascisten hielpen (als vazalstaten van Rome) Franco met geld, wapens en soldaten. Zelfs de katholieke Portugezen en Ieren hielpen Franco. Paus Pius XI deed het voorkomen alsof deze staatsgreep nodig was om tegen de ketterse communisten in Spanje op te treden. Maar van de 500 parlementsleden waren er in die tijd slecht 15 die tot de communistische partij behoorden. Dit Rooms fakebericht had zijn uitwerking wel want haast alle landen van Europa en Amerika waren hierdoor niet bereid de republikeinse regering tegen Franco te steunen.

De eerste buitenlandse vlag op Franco's hoofdkwartier in 1939 was de pauselijke vlag en op het Vaticaan werd snel de vlag van Franco's Spanje gehesen. Wat was klerikaal fascisme ook alweer? Bij de Spaanse burgeroorlog die van 1936 tot begin 1939 duurde, kwamen 633.000 mensen om. Maar onder Franco kreeg de Katholieke Kerk weer zijn macht terug in Spanje en dan zijn volgens Rome al 17 eeuwenlang slachtoffers een onvermijdelijk en helaas noodza-kelijk offer van de mensheid in het belang van het enige ware geloof.

In 1953 sloot Franco met het Vaticaan een voor de Katholieke Kerk zeer voordelig nieuw concordaat dat het katholicisme als staatsgodsdienst weer invoerde, de echtscheiding en het burgerlijk huwelijk afschafte en hem voor lange tijd de steun van het episcopaat bezorgde. Het fascisme leefde voort na 1945 met generaal Franco als fascist, terrorist, massamoordenaar en goed katholiek tot zijn dood in 1973.

Oostenrijk: het Austro-fascisme

Austrofascisme uit 1934 is het autoritair politieke systeem dat eindigde met de annexatie/anschluss (zie foto) door Nazi-Duitsland. Leiders waren Engelbert Dollfuss en Kurt Schuschnigg, voorheen politici uit de christelijk-sociale partij. Het austrofascisme was afkomstig uit het Vaderlandfront en de paramilitaire organisatie Heimwehr uit 1930. Het was een systeem gebaseerd op het katholieke geloof en het Oostenrijks nationalisme en corporatisme en een tegenstander van de Marxistische klassenstrijd en het liberaal-kapitalisme. Verder is het tegenstander van de parlementaire democratie en meerpartijensysteem.

Antisemitisme was geen element in de ideologie, en vele Joden steunden het regime, steun die zelfs toenam na de eerste mislukte nationaalsocialistische staatsgreep van 1934. De regering steunde ook de Salzburger Festspiele, waar veel beroemde Joodse artiesten speelden, wat leidde tot boycots vanuit Nazi Duitsland. Ideologisch hoort het austrofascisme thuis in de Oostenrijkse katholieke politiek. Het heeft veel weg van het Italiaans fascisme volgens Giovanni Gentile.

Austrofascisme is gericht geweest op de geschiedenis van Oostenrijk. De Katholieke Kerk speelde een grote rol in de definitie van het Austrofascisme, de geschiedenis en identiteit, welke diende om zich af te zetten tegen de Duitse cultuur. Volgens deze cultuur waren Oostenrijkers betere Duitsers. In Duitsland was toen de overgrote meerderheid protestant. Oostenrijk, de tweede maar betere Duitse staat, zou onafhankelijk van Duitsland blijven. In 1938 werd Oostenrijk bezet door nazi-legers en geannexeerd.

De Oostenrijkers haalden de Duitsers als bevrijders binnen. Kennelijk had hun eigen Oostenrijkse Adolf Hitler hun fascistisch katholieke hart gebroken en waren ze blij deel van Duitsland uit te maken. Oostenrijkers bleken uiteindelijk zeer fanatieke fascisten te zijn, zoals de Oostenrijkse leden van de SS en bewakers van de concentratiekampen elders.